Artikelen door Marco Van Putten



206 01 0182 TopicalBkg Haftarah Wajjechie gaat over de parallel tussen de overdracht van Jakobs patriarchaat en nalatenschap met die van koning Davids. Overdracht van autoriteit Toen koning Dawied op sterven lag liet hij zijn kroonprins Sjelomo (Salomo) komen. Hij maakte hem bekend dat hij zou gaan sterven en dat Sjelomo koning zou worden. Dawied scherpte hem in om naar Gods Verbondsvoorwaarden te leven en te regeren, want dat garandeerde de voortzetting van het Dawidische koningshuis. Ook bracht hij in herinnering aan wie hij namens zijn vader wraak moest nemen en aan wie hij trouw moest bewijzen. Dawied werd in Jeruzalem begraven. God bevestigde daarna Sjelomo als koning. Parallellen Sidra‘ Wajjechie (Gn 47:28-50:26) gaat over de laatste dagen van Ja’aqovs (Jakobs) leven in Mitsrajim (Egypte) en over wat hij zijn zonen aanzegde. Belangrijk is dat Ja’aqov de eerste twee zoons van Josef adopteerde. Hij voegde hen toe aan Isra‘El (48:5). Josef was immers buiten Isra‘El komen te staan (eigendom van Farao geworden). Zo werd de naam van Josef toch gehandhaafd onder de stammen. Ja’aqov werd in Hebron begraven. De haftarah bij deze sidra‘ (1 Kon 2:1-12) heeft als parallel de dood van Isra‘Els leider en de regeling van de opvolging. In Beresjiet (Genesis) betreft het Ja’aqov die als familiehoofd zijn autoriteit overdraagt op Jehoedah. In 1 Koningen betreft het Dawied, een kleinzoon van Jehoedah, die als koning zijn autoriteit overdraagt op Sjelomo. De volgende parallel is dat Ja’aqov niet alleen zijn patriarchaat overdraagt, maar ook zaken regelt: nalatenschap. Ook Dawied deed dat. Het gevolg was dat God Isra‘El in beide gevallen zegende (Gn 50:22-26; 1 Kon 2:12). Maar Ja’aqov lijkt twee patriarchen (Jehoedah en Josef) aan te stellen. Daarover gaat het haftarah gedeelte niet. In die verdeelde, bijzondere zegening (deels voor Jehoedah (Gn 49:8-12) en deels voor Josef (Gn 49:22-26)) komt profetisch de latere splitsing van Isra‘El in Judah en ‘Éfrajim naar voren. Iets wat in de Bijbel is beschreven als onheil (geloofsafvalligheid en ontrouw aan het huis van Jehoedah/Dawied). Volgens Genesis was dit dus blijkbaar voorzien. Sterker, alleen in Ja’aqovs zegening van Josef komt het woord ‘hoofd’ (Hebreeuws: ro‘sj) voor (Gn 49:26). Het feit dat Jehoedah tot gezagsdrager in Isra‘El wordt aangesteld, stelt vragen over de patriarchale status van ‘Éfrajim. Omdat Josef leiderschap had onder de heidenen, lijkt het dus te gaan over patriarchale status in die hoedanigheid. Iets wat aan het zicht van de Isra‘Eliem ontrokken is, maar wat wel met de huidige staat van Isra‘El in de verstrooiing te maken kan hebben. Het is dan ook opmerkelijk dat het Judese koningschap het veld moest ruimen door Isra‘Els verstrooiing onder de natiën en tot op heden niet is hersteld. Blijkbaar was dus in Josefs zegening ook Isra‘Els verstrooiing voorzien. In de vorige haftarah (zie Wajjiggasj) werd Ezechiëls profetie behandeld, vanuit die profetie werd ook al duidelijk dat Judah en ‘Éfrajim pas bij de komst van de Messias herenigd zouden worden. Josefs, door Ja’aqov aangezegde patriarchaat over Gods volk, is, net als in de tijd van Genesis, verborgen gebleven tot in Isra‘Els galoet (verstrooiing). Torahgedeelten De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah: • 47:29-30 Gelovigen horen niet onder goddelozen begraven te worden (Gn 23:4; 25:9; 49:31; 50:13, 25). • 48:5 Een (geestelijk) patriarch kan kinderen adopteren van gelovigen (1 Kor 4:17; 2 Pe 1:17). Dit is naar Gods Karakter (2 Cor 6:18). • 48:19 Er kan tegen de normale (menselijke) orde der dingen, zoals het bepalen van de eerstgeborene, ingegaan worden als God dat wil. • 48:20 Kinderen horen de geestelijke bagage van hun vader te vertegenwoordigen (Gn 48:5). Dit is naar Gods Karakter (Jh 10:30; 14:9). • 49:4 God beoordeelt Zijn volk. Hij berecht het ook naar Zijn recht (Gn 49:16). • 49:6-7 God wijst het af als leden van Zijn volk niet naar Gods, maar naar eigen inzicht samenwerken (Rm 8:13). Hij zal hen verdelen en verstrooien. • 49:8 God stelt voortdurend (messiaanse) leiders aan over Zijn volk (Gn 49:10), maar Hij zal uiteindelijk de Messias over hen aanstellen (Gn 49:11-12). Jehoedah werd aangesteld als de opvolger van Ja’aqov (vergelijk Gn 27:29), maar niet als geestelijk leider. • 49:25-26 De patriarchale zegen die Josef ontving (vergelijk Gn 27:28), hoewel hij geen opvolger van Ja’aqov/Isra‘El kon zijn, wijst er profetisch op dat zijn leiderschap ‘buiten’ Isra‘El lag: Gods volk heeft zich nooit beperkt tot Isra‘El, maar sloot altijd alle mensen in. • 50:19 God komt de wraak toe, want gelovigen staan onder God en nemen Zijn plaats niet in (Gn 34:13). Het zijn juist ongelovigen en goddelozen die wraak nemen buiten God om. • 50:20 God bereidt dingen voor ten goede van Zijn volk (Gn 45:7; Jh 14:2; Hb 6:20). • 50:24 Geloven is op God vertrouwen dat Hij Zijn woorden zal vervullen. Het is opmerkelijk dat rabbijnen stellen dat: - in het boek Beresjiet slechts drie mitswot voorkomen, terwijl er zo’n 100 torot in mijn haftarot zijn vastgesteld. Torot zijn echter niet altijd mitswot, maar een aantal wel. - de Verbondsvoorwaarden die Noach ontving alleen voor de niet-Joden zouden gelden, terwijl ze de basis vormen voor Gods Verbond met de patriarchen, voor Gods Verbond bemiddeld door Mozes en voor het Nieuwe Verbond. De zogenoemde Noachidische geboden zijn een rabbinaal bedenksel die anders zijn dan de Verbondsvoorwaarden die Noach ontving. Volgende week: Haftarah Sjemot over parallellen met de roeping van Mozes en zijn eerste optreden. Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Haftarah – Wajjechie – En hij (Jakob) leefde

Haftarah Wajjechie gaat over de parallel tussen de overdracht van Jakobs patriarchaat en nalatenschap met die van koning Davids. Overdracht van autoriteit Toen koning Dawied op sterven lag liet hij zijn kroonprins Sjelomo (Salomo) komen….



206 01 0182 TopicalBkg Het haftarah gedeelte opent met de zin dat koning Sjelomo (Salomo) ontwaakte (jaqats) uit een droom die hij van Godswege had (1 K 3:15). Deze droom staat beschreven in het voorafgaande gedeelte (vss 5-14). In die droom vroeg God hem wat hij van Hem zou willen ontvangen voor zijn koningschap. Sjelomo vroeg Hem een opmerkzaam hart (lev sjomea’) om met juist inzicht Gods volk te beslechten (lisjpot) tussen goed aan kwaad (bejn-tov lera’). Dit behaagde (jietav) God (vs 10) en Hij gaf hem een wijs en doortastend hart (lev chacham wenavon) en schonk hem verder nog al wat een koning nog zou kunnen wensen. Indien (‘im) hij in Gods weg zou gaan, Zijn voorschriften en bevelen zou navolgen, zo zou God met hem zijn. In de rest van het haftarahgedeelte zien we dat Sjelomo inderdaad veranderd was in zijn oordeel, dat bekend is geworden als het ‘Salomonsoordeel’.

Haftarah – Miqqets – Aan (het) uiteinde

Haftarah Miqqets gaat over de parallel tussen Josef en Salomo in verband met koninklijke dromen. God schenkt de jonge koning een ander hart Het haftarah gedeelte opent met de zin dat koning Sjelomo (Salomo) ontwaakte…



206 01 0182 TopicalBkg Sidra‘ Wajisjlach (Gn 32:4-36:43) gaat over de confrontatie van Ja’aqov (Jakob) met zijn broer ’Esaw voor wie hij lange tijd naar een ander land was weggevlucht (zie sidra‘ Wajetse‘). Ja’aqov was erg angstig voor deze confrontatie (32:7, 11) en zond naar ’Esaw boodschappers en goederen om zijn genade (chen) te zoeken (32:5; 33:8, 11). Net zoals bij het vertrek bij Lavan trok ook ’Esaw hem met een leger tegemoet (31:23; 32:6). Dus nam Ja’aqov allerlei voorzorgsmaatregelen als het tot een gewelddadige confrontatie zou komen. Hij bad tot God, want Hij had hem immers opgedragen naar het beloofde Land terug te keren (31:13). De sidra‘ gaat verder over het doortrekken van het beloofde Land op weg naar het kamp van zijn vader Jitschaq (Izak).

Haftarah – Wajisjlach – En hij (Jakob) zond uit

Haftarah Wajisjlach (Gn 32-36) gaat over de parallel tussen de gespannen verhouding tussen Jakob en Esau, de tweelingzonen van Izak, en tussen hun afstammelingen tijdens de Babylonische ballingschap van Isra‘El. Gods oordeel over ‘Édom God…


206 01 0182 TopicalBkg Haftarah Wajetse‘ (Hos 11:7-14:10) is een profetie van Hosjea’ die optrad tussen 760-715 v.Chr. in het noordelijke koninkrijk Isra‘El en daardoor tijdgenoot was van de profeten ’Amos en Jesaja (Jesja’jahoe) die optraden tegen het zuidelijke koninkrijk Judah. Hosjea’s profetie is niet slechts Gods oordeel over Isra‘El (op de eerste plaats over ‘Éfrajim maar ook over Judah), maar benoemt ook waarover God vertoornd was. Vooral omdat zij de afgoden van de heidense buurvolken vereerden.

Haftarah – Wajetse‘ – En hij (Jakob) ging

Haftarah Wajetse‘ (Gn 28-32) gaat over de parallellen tussen Jakobs vluchtverblijf in Aram en de profetie van Hosea tegen het noordelijke koninkrijk: heeft Gods gezegende omgang met Jakob stand gehouden? Gods oordeel over Isra‘El God…


206 01 0182 TopicalBkg Via de profeet Mal‘achie (Mijn boodschapper) verklaarde God aan Isra‘El zijn liefde (Mal 1:2). Dat was na de terugkeer van Isra‘El uit hun Babylonische ballingschap (5de eeuw voor Chr.). Dat bleek daaruit dat Hij Ja’aqov verkoos uit de twee zonen van Jitschaq (Izak) en niet ’Esaw (Ezau), de eerstgeborene. In het verslag in het Bijbelboek Genesis blijkt die verkiezing echter niet expliciet, maar kan afgeleidt worden uit het feit dat Ja’aqovs leven uitgebreid is beschreven (Gn 25-50; bijna de helft van dat Bijbelboek!) en uit het kort noemen van de boze levenswijze van ’Esaw (Gn 25:34; 26:34; 27:41; 32:6). Ja’aqov wordt al op jonge leeftijd volkomen (tam in het Hebreeuws) genoemd en in contrast zijn broer ’Esaw sterker (‘amats), groter (rav) en een kundig jager (Gn 25:23, 27). God blijkt Zich zelfs tegen ’Esaw gekeerd te hebben (sane‘ – haten; Mal 1:3-4; Rm 9:13; Hb 12:17). Ook dat staat nergens expliciet in Genesis, alleen raakt ’Esaw in het verslag steeds meer op de zijlijn en gaat hij buiten het beloofde Land wonen (Gn 32:3; 36:8). Hij wordt leider van de natie ‘Édom dat vijandig werd tegen Isra‘El, maar van Godswege ophield te bestaan.

Haftarah – Toldot – Geschiedenis van Izak

Haftarah Toldot (Gn 25:19-28:9) gaat over de parallel tussen het minachten van God door Ezau en het latere Isra‘El. Isra‘Els priesters worden in het bijzonder aangesproken. Minachten van God Via de profeet Mal‘achie (Mijn boodschapper)…


206 01 0182 TopicalBkg In de sidra‘ Chajjej Sarah staat de dood van Avraham centraal. De Haftarah lezing (1 K 1:1-35) gaat over de aanstaande dood van koning Dawied. Beiden waren ze patriarchen in hun generatie. Maar Avrahams patriarchaat gaat niet alleen aan dat van Dawied vooraf, het staat er natuurlijk ook ‘boven’. Avraham was hoofd van Gods volk: de gemeenschap van gelovigen (zie Haftarah Léch lecha). Dawied was slechts hoofd van Gods natie Isra‘El, wat Hij Zich ‘in’ Gods volk schiep: de gemeenschap van Isra‘Eliem. Maar Avraham was nooit ‘koning’, want hij behoorde nooit tot enig natie. Ook was hij nooit letterlijk eigenaar van het beloofde Land. Hij leefde heel zijn leven als vreemdeling (Hebreeër) op aarde (Gn 23:4). Net als zijn zoon Jitschaq (Gn 35:27) en zijn kleinzoons na hem (Gn 37:1; Ex 6:1; Dt 10:19). Zijn afstammelingen werden immers pas bij Horeb tot Gods natie geschapen.

Haftarah – Chajjej Sarah – Sarahs leven

Haftarah Chajjej Sarah (Gn 23-25) gaat over de parallel tussen het gevolg van de dood van Avraham en koning David: hun opvolging. Opvolgingsstrijd In de laatste levensdagen van koning David was hij bedlegerig (1 K…


206 01 0182 TopicalBkg De profeet ‘Éliesja’ (zijn naam is een woordcombinatie met de stam jasja’ (redden / verlossen) en betekent: ‘Mijn God redt’) staat centraal in dit Haftarah gedeelte (2 K 4:1-37). Hij was van de stam Issaschar, dus woonde hij in het noordelijke koninkrijk Isra‘El (10 stammen), dat alleen door goddeloze koningen werd bestuurd. Hij had de bekende profeet ‘Éliejahoe (Elia) opgevolgd die ook in dat koninkrijk werkte (1 K 19:16; 2 K 2:15). Deze gebeurtenissen vinden plaats aan het einde van de 9de en begin 8ste eeuw v. Chr. en hij blijkt in zijn generatie een hoofd van de profeten te zijn.

Haftarah – Wajera‘ – En Hij verscheen

Haftarah Wajera‘ (Gn 18-22) gaat over de parallel tussen de profeten Avraham en ‘Éliesja’ (Elisa) die een millennium na elkaar leefden. ‘Éliesja’, hoofd van de profeten De profeet ‘Éliesja’ (zijn naam is een woordcombinatie met…