Artikelen door Marco Van Putten

206 01 0182 TopicalBkg Haftarah Tazriea’ gaat over de parallel met onreinheid en reiniging in verband met de aantasting van Tsara’at en de (wonderlijke) genezing ervan door Elisa.

Haftarah – Tazriea’ – Zaad zal (zij) dragen

Haftarah Tazriea’ gaat over de parallel met onreinheid en reiniging in verband met de aantasting van Tsara’at en de (wonderlijke) genezing ervan door Elisa. Elisa, Gods profeet De haftarah begint met de wonderlijke voedselvermenigvuldiging door…





206 01 0182 TopicalBkg Haftarah Peqoedej gaat over de parallel tussen de ingebruikname van de Tent van samenkomst door Mozes en de ingebruikname van de Tempel door koning Salomo. De Tempel door Salomo in gebruik genomen Deze haftarah gaat verder waar de vorige (Wajjaqhel) eindigde. Het beantwoord ook de vraag uit van de vorige haftarah wat met de onderdelen van het heiligdom Mosjéh (Mozes) gebeurde. Koning Sjelomoh (Salomo) bracht die en waarschijnlijk ook nog andere die zijn vader Dawied aan God had gewijd allemaal naar de schatkamer van de Tempel (1 K 7:51). Toen brak de dag aan dat de Tempel in gebruik genomen zou worden. Het was de zevende maand van de Bijbelse kalender. Alle oudsten, stamhoofden, verhevenen en vaderen kwamen naar Sjelomoh. Samen zouden ze de kist van het getuigenis begeleiden op weg naar diens nieuwe plaats in het Tempelhuis. De Tent van samenkomst stond toen in de Stad van Dawied op een lager gelegen vlak deel van de berg Tsion. Zodra de kist in het Heilige der Heilige was neergezet en de kohaniem (Isra‘Elitisch priesters) het Tempelhuis hadden verlaten vulde een wolk het huis. Het liet de heerlijkheid van God zien. Het Tempelhuis werd volledig gevuld door die wolk. Zo zelfs dat de kohaniem de Tempel uit moesten gaan. Parallellen Sidra‘ Peqoedej (Ex 38:21-40:38) gaat over het maken van de onderdelen van het heiligdom gebruikmakende van alle materialen die de Isra‘Eliem schonken. De haftarah (1 K 7:51-8:21) heeft als parallel met de sidra‘ dat de ark van het getuigenis als eerste geplaatst moest worden in het heiligdom. Opvallend is dat Sjelomoh dit deed in de zevende maand (1 K 8:2), terwijl God Mosjéh had opgedragen dit op de eerste van de eerste maand te doen (Ex 40:2). Daarom werd de Tempel van Sjelomoh waarschijnlijk ook op de eerste van de zevende maand in gebruik genomen. De andere parallel is dat meteen nadat het heiligdom was ingericht een wolk (hé’anan), die Gods heerlijkheid (kevod) vertegenwoordigde, het vervulde. Zo zelfs dat de dienstdoende kohaniem eruit moesten gaan (Ex 40:34-35; 1 K 8:10-11; vergelijk Opb 15:8). Zoals in de vorige haftarah aangegeven lijkt er een parallel te zijn tussen Mosjéh, die de Tent der samenkomst inrichtte, en Sjelomoh, die het Tempelhuis lijkt in te richten. (In werkelijkheid deden dat natuurlijk de kohaniem. Sjelomoh mocht, ondanks dat hij koning was, het Tempelhuis niet betreden. Zoals gesteld in de vorige haftarah: de Tempel van Sjelomoh was slechts een afschaduwing van de Tent van samenkomst. Sjelomoh was immers ook slechts een afschaduwing van Mosjéh. Sjelomoh was ook geen geestelijk leider, maar een politiek leider. Hij stond ‘onder’ het gezag van de dienstdoende kohen gadol (Isra‘Elitisch hogepriester, ’Azarjah (1 Kr 6:10)). Geen mens vertegenwoordigde God zoals Mosjéh dat deed aan Isra‘El. Hij was door God zelfs ‘boven’ de kohen gadol gesteld. Daarom ligt het ook voor de hand dat Mosjéh moest verdwijnen toen de eredienst van God in het beloofde Land zou worden gehouden. Hij moest plaats maken voor het ambt van de kohen gadol. Die zou Isra‘Els enige geestelijk leider zou zijn: het hoofd van de gemeenschap van Isra‘El. In de Bijbel staan maar weinig gebeden beschreven op de plechtige momenten in de Tempel. Echter het gebed van Sjelomoh, dat hij uitsprak nadat de Tempel klaar was om in gebruik te worden genomen staat wel in de Bijbel (1 K 8:12-21). Juist in de haftarot ligt de aandacht op unieke zaken. Van Mosjéh is niet bekend dat hij een gebed heeft uitgesproken bij het oprichten van de Tent van samenkomst. Maar het ligt wel voor de hand. Misschien geeft het gebed van Sjelomoh weer wat Mosjéh gezegd heeft. Het kan zijn dat de kohaniem het gebed van Mosjéh hebben opgeschreven en overgeleverd. De woorden “God heeft gezegd te zullen verblijven in een donkere wolk (HaSjem ‘amar lisjkon ba’arafél) lijken het bewijs van zo’n overlevering van Mosjéh (Ex 20:21; Dt 5:22). Torahgedeelten De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah: • 39:43 Isra‘El volbracht nauwkeurig alle bevelen van God over het maken van de onderdelen van het heiligdom. Toen Mosjéh die onderdelen zag stemde die overeen met het model ervan dat God hem had getoond en hij zegende de onderdelen. • 40:2 De Tent van samenkomst moest opgericht worden op de eerste van de eerste maand: het begin van de Bijbelse kalender. Zo is het ook gebeurd (40:17). • 40:10 Het koperen offeraltaar was het centrale altaar voor Isra‘El. Mosjéh zalfde het en wijdde het aan God. Het altaar was de heiligheid van de gewijdenen (qodésj qadasjiem). • 40:13-15 Mosjéh bekleedde de kohen gadol, zalfde hem en wijdde hem aan God. Mosjéh bekleedde ook de kohaniem en zalfde hen. • 40:20 Mosjéh plaatste het getuigenis – de twee stenen platen – in de kist, plaatste er de draagstokken aan en legde het verzoendeksel erop. In deze sidra‘ staan volgens de rabbijnen geen mitswot. De rabbijnen stellen dat er 111 mitswot in het boek Sjemot (Exodus) voorkomen, terwijl er in deze haftarot amper 70 torot zijn gevonden. Volgende week: Wajjiqra‘ over parallellen met Isra‘Els verplichting de door God bepaalde offers van de eredienst te brengen. Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Haftarah – Peqoedej – (De) opgelegden

Haftarah Peqoedej gaat over de parallel tussen de ingebruikname van de Tent van samenkomst door Mozes en de ingebruikname van de Tempel door koning Salomo. De Tempel door Salomo in gebruik genomen Deze haftarah gaat…


MvP Studie over Messiaans geloven 696x392 Steeds meer christenen onderkennen dat de Here Jezus en zijn leerlingen een groepering vormden in het eerste eeuwse Jodendom. Daarmee is echter nog niet de slag gemaakt naar wat dit betekent voor hedendaagse Joods-christelijke Bijbelinterpretatie en toepassing daarvan: Messiaans geloven. Mike Doeve doet daartoe een poging in het lijvige studieboek ‘Terug naar de bron’. Hoe deed hij dat? Deze recensie is oorspronkelijk geschreven voor Uitdaging.nl. Boekanalyse Na een voorwoord, een afkortingenlijst en ‘handige informatie’ (verantwoording en leeswijzer) volgen 11 hoofdstukken ingedeeld in vier delen. Deel 1 (H1-2) is een introductie op het boek; deel 2 (H3-5) gaat over het Messiaanse rijk, het Sinaïtische verbond en de heilsgeschiedenis van Israël; deel 3 (H6-10) gaat over het Nieuwe verbond, de Romeinenbrief, het aardse en het geestelijke en het leven van de Here Jezus; deel 4 (H11) gaat over het tweedelingsdenken (kerk en Israël apart). Doeve besteedt de meeste aandacht aan de verspreiding van het Evangelie, de Romeinenbrief en de tegenstelling ‘vlees’ en geest. Ook is er veel aandacht voor de overeenkomst tussen het Mozaïsche verbond en het leven van de Here Jezus. Voetnoten geven literatuurverwijzingen en diepte-informatie. Achter in het boek zijn drie appendices, een namen- en begrippenlijst, een korte Bijbeltekstregister en een literatuurlijst opgenomen. Onderscheidend boek Doeve gebruikt veel Hebreeuwse benamingen en geeft er uitleg over. Dat is niet bedoeld om het de lezer onnodig moeilijk te maken, maar om de diepere betekenis ervan te laten zien. Hij behandelt veel misvattingen die onder christenen bestaan, zoals de Vervangingstheorie (Kerk heeft Israël vervangen als Gods volk) en de blijvende betekenis van de Verbondsvoorwaarden (Torah) door de misvattingen erover te weerleggen. Interessant is dat hij steeds de traditionele christelijke opvatting erover geeft en daarbij een alternatieve Messiaanse (Joods-christelijke) uitleg plaatst. Ook wordt in dit boek veel Bijbel(her)interpretatie en uitleg gegeven. Evaluatie Dit is een belangrijk en grondig studieboek over Messiaans denken en doen. Maar voor Doeve betreft dat hoofdzakelijk Messias-belijdende Joden en hij beschrijft maar een bepaalde vorm (traditioneel Judaïsme). Daarmee volgt hij de breed geaccepteerde weg waaraan niet-Joden geen aanstoot zullen nemen. Jammer is dat Doeve veel te veel herhaalt in zijn toch al veel te dikke boek. Daar komt bij dat hij ook nogal wollig is (overtollig woordgebruik) met soms onjuiste zinnen en woorden. Waarschijnlijk had hij met minder dan een derde aan pagina’s ook zijn boodschap goed en grondig kunnen behandelen. Doeve is ook nogal tegenstrijdig en inconsequent. Zo verwerpt hij de Twee-wegentheorie (Israël en de kerk elk hun eigen heilsweg), maar stelt toch dat de Torah van Mozes alleen voor Joodse gelovigen is bedoeld. Feitelijk dus wel Twee-wegentheorie. Vervolgens stelt hij toch dat niet-Joodse gelovigen vrij zijn om wel aan (volledige) Torah navolging te doen. Zijn boek is ook gericht aan niet-Joodse gelovigen, minder aan Joodse. Het is onbegrijpelijk dat dit boek geen zakenregister heeft. Ondanks bovenstaande kritiek is dit boek zeker een aanrader voor de geïnteresseerden. Doeve, M.R., Terug naar de Bron. Een zoektocht naar wat Jesjoea onderwees. 2017, Scholten, Zwolle. 948 pagina’s, € 28,95, ISBN: 9789079859740.

Studie over Messiaans geloven

Steeds meer christenen onderkennen dat de Here Jezus en zijn leerlingen een groepering vormden in het eerste eeuwse Jodendom. Daarmee is echter nog niet de slag gemaakt naar wat dit betekent voor hedendaagse Joods-christelijke Bijbelinterpretatie…





206 01 0182 TopicalBkg Haftarah Teroemah gaat over de parallel tussen de bouw van Gods heiligdom ten tijde van Mozes en ten tijde van koning Salomo. Salomo bouwt Gods Tempel Sjelomoh (Salomo), koning van Isra‘El, begon met voorbereidingen voor de bouw van de eerste Tempel in Jeruzalem. God had hem daartoe wijsheid (chachmah) gegeven (1 K 5:12 (26)). Hij had met Chieram, de koning van Tyrus, een afspraak over de levering van bouwmaterialen en werkers. De bouw begon in c.967 BCE. Om de Tempel te bouwen deed Sjelomoh een lichting onder de Isra‘Eliem van 30 van een eenheid (‘éléf) mannen. (De meeste denken dat deze eenheid altijd voor 1000 man stond, maar dat is niet zo zeker.) Het Hebreeuwse woord mas doet vermoeden dat de lichting niet helemaal vrijwillig was. De lichting werd in drie ploegen verdeeld die elk een maand in Levanon (Libanon) moesten werken en daarna twee maanden vrij zouden zijn. Daarnaast had Sjelomoh nog 70 van een eenheid mannen lastdragers en 80 van een eenheid aan mannen die hakkers op de berg. De werkzaamheden stonden onder leiding van hoofdoversten (sarej hannitsaviem) zij werden bijgestaan door nog eens een grote groep mannen die direct leiding gaven over de werkers. Het fundament van de Tempel werd gevormd door grote, kostbare gehouwen stenen. Daarnaast werkten bouwlieden om het hout en de stenen te hakken voor het Tempelhuis. De bouw ervan werd begonnen in het 4de regeringsjaar van Sjelomoh, in de tweede maand van het godsdienstige jaar (april-mei). De omvang van de Tempel was anders dan die van de Woning (Misjkan) in de Tent van samenkomst (‘ohél mo’ed), het mobiele heiligdom dat Mosjéh (Mozes) moest oprichten bij de berg Chorev (Horeb) in de woestijn Sienaj (Sinaï). De Misjkan was 30 el lang, 9 el breed en 10 el hoog (Ex 26:15-18, 22), terwijl het Tempelhuis 60 el lang, 20 el breed en 30 el hoog werd (1 K 6:2). Waarschijnlijk is dezelfde lengtemaat el gebruikt. Ook werd het Tempelhuis voorzien van een voorhal (‘oelam), vensters (challon) en een aanbouw met drie verdiepingen. Hoe de Tempel er precies uitzag is onbekend, net zoals de Tent van samenkomst in de woestijn. Parallellen Sidra‘ Hammisjpatiem (Ex 25:1-27:19) gaat over de vrijwillige bijdrage (teroemah) die God vroeg van de Isra‘Eliem bestaande uit allerlei kostbare metalen, stoffen en huiden. Verder planken acaciahout, olie, specerijen, reukwerk en edelstenen. Dit zouden de materialen zijn voor een heiligdom dat gebouwd moest worden, zodat God in hun midden zou kunnen wonen. Vervolgens worden de onderdelen en de samenstelling van het heiligdom beschreven. De haftarah (1 K 5:12 (26)-6:13) heeft een overduidelijke parallel met de sidra‘. Beide Bijbelgedeelten gaan over de bouw van Gods heiligdom. Het belangrijke verschil is natuurlijk dat het eerste heiligdom in verband stond met de reis van Isra‘El op weg naar het beloofde Land en de eerste Tempel in verband stond met de vestiging van Isra‘El in dat Land. Het eerste heiligdom (hammiqdasj) is een Tent en het tweede heiligdom is een stenen Huis (Bejt hammiqdasj). Het eerste heiligdom werd vrij nauwkeurig voorgeschreven door God, maar het tweede heiligdom was een ‘uitvinding’ van koning Dawied (David) en waartoe God Sjelomoh wijsheid gaf. Maar er valt meer te zeggen. De haftarah begint met het uitvaardigen van een lichting van Isra‘El. Ook in de dagen van Mosjéh werd Isra‘El een bijdrage (teroemah) gevraagd. Dat niet alleen, er werden ook werkers aangesteld om te helpen bouwen aan de Tent van samenkomst. Net als in de dagen van Sjelomoh. Net zoals in de vorige haftarot is het van belang te kijken naar unieke zaken die erin genoemd worden die van toepassing kunnen zijn op de sidra‘. De bepaling die God stelde aan de bouw van de Tempel (1 K 6:12) is zo algemeen dat het voor elk heiligdom van Hem van toepassing is en dus ook op de Tent van samenkomst ten tijde van Mosjéh. Dit wordt bevestigd doordat het doel van de bouw van beide heiligdommen hetzelfde is: dat God onder de Isra‘Eliem zou wonen (Ex 25:8; 1 K 6:13). Torahgedeelten De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah: • *25:8 God beval de bouw van een heiligdom (miqdasj), zodat Hij onder Zijn volk kon wonen. • 25:9 Het heiligdom en al diens voorwerpen moesten gebouwd worden naar het model (‘et tavniet) en plan (misjpat) van De Woning (Hammisjkan) die God aan Mosjéh toonde op de berg Chorev (Ex 25:40; 26:30; 27:8). De met een * aangegeven bepalingen zijn door de rabbijnen vastgesteld als mitswot uit de 613. In deze sidra‘ staan volgens de rabbijnen nog twee andere mitswot (Ex 25:15, 30). Volgende week: Haftarah Tetsawwéh over parallellen met de kleding en wijding van de kohaniem (Isra‘Elitische priesters). Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Haftarah – Teroemah – Een bijdrage

Haftarah Teroemah gaat over de parallel tussen de bouw van Gods heiligdom ten tijde van Mozes en ten tijde van koning Salomo. Salomo bouwt Gods Tempel Sjelomoh (Salomo), koning van Isra‘El, begon met voorbereidingen voor…


206 01 0182 TopicalBkg Haftarah Hammisjpatiem gaat over de parallel tussen de Verbondsaanvaarding bij Horeb en de Verbondsvernieuwing ten tijde van Koning Zedekia. Ontrouw van Isra‘Elim door God bestraft God maakte aan Jirmejahoe (Jeremia) bekend dat Zijn Verbond met de Isra‘Elim onherroepelijk was (Jr 33:25). Het is als de zekerheid van de dag en de nacht en Zijn andere Scheppingsverordeningen. Toch twijfelde de Isra‘Elim, omdat toen het leger van Babylonië oorlog tegen hen voerde. Koning Tsidqiejahoe (Zedekia (Mijn rechtvaardigheid is van God); 597-586 BCE) had de Isra‘Elim Gods Verbond opnieuw laten bevestigen (vss 8, 15) in de hoop dat God hen zou verlossen in deze oorlog. Dit moest in het bijzonder duidelijk worden door de specifieke Verbondsverordening over de dienstknechten na te volgen (34:8): hun vrijlating in het Sjabbatsjaar van hun dienst (vs 14; Ex 21:2). Maar later gingen de Isra‘Elim opzettelijk tegen deze Verbondsverordening in door de vrijgelaten dienstknechten terug te halen (vss 11, 16). Omdat ze dat gedaan hadden zou God straffen op de Isra‘Elim vrijlaten. (Let op de woordspeling met het woord ‘vrijlating’ (deror) die God hier toepast). Maar dat niet alleen. God zou allen die zich aan deze verordening ontrokken hadden zo behandelen als ze met hun offerdier voor de Verbondsvernieuwing hadden gedaan. Hij zou ze overgeven aan de Babyloniërs. Die zouden hun afslachten en de lijken overgeven aan de dieren. Een diepe vernedering voor aan God gewijde mensen. Parallellen Sidra‘ Hammisjpatiem (Ex 21:1-24:18) gaat over de verordeningen (Verbondsbepalingen ‘onder’ de Verbondsbevelen (mitswot) die bijna dezelfde zwaarte hebben, maar in tegenstelling veranderd of verbeterd kunnen worden) over een heel scala van onderwerpen, zoals over dienstknechten (21:2-11), schades (21:12-15, 18-36; 22:5-6, 14-15) en diefstal (21:16; 22:1-4, 7-8, 12). (Onderwerpen waarover het ook gaat in de rabbinale halachah, zoals in de Talmoedim.) Ze laten zien wat de 10 Woorden voor de dagelijkse praktijk betekenen en de verordeningen definiëren Isra‘El als godsdienstige natie en niet zozeer als Gods volk. (De verordeningen zijn dus niet algemeen en altoosdurend van toepassing.) Toen Isra‘El bij Chorev (Horeb) deze (Gods 10 Woorden en verordeningen) accepteerden werd het Verbond door hun bevestigd. De haftarah (Jr 33:25-26; 34:8-22) is overduidelijk parallel aan de twee hoofdonderwerpen van de sidra‘: Verbondsverordeningen en Verbondssluiting. Meest in het oog springend is het directe verband met de verordening over de dienst van knechten dat eindigde in het Sjabbatsjaar (7de jaar). In Jeremia blijkt dat op overtreding van misjpatiem dezelfde straf staat als op overtreding van mitswot: de doodstraf. In Jeremia gaat het echter ook om iets uitermate boosaardigs. Eerst hadden de Isra‘Elim demonstratief Gods Verbond vernieuwd. Bij de Verbondssluiting bij Chorev liet Mosjéh (Mozes) brandoffers (’olot) en slachtoffers van vergeldingen (zevachiem sjelamiem) van stieren (pariem) brengen (Ex 24:5). Bij de Verbondsvernieuwing bij Jeruzalem eeuwen later liet Tsidqiejahoe een kalf (’egél) slachtofferen (Jr 34:18). (Waarschijnlijk was er een gebrek aan stieren door de oorlog in het Land.) Ze kozen voor de oude handeling die Avraham had gevolgd bij de Verbondssluiting (Gn 15:10, 17). Waarschijnlijk om hun daad kracht bij te zetten. Overeenkomstig hadden ze hun dienstknechten vrijgelaten. Maar later, toen de Babyloniërs inderdaad vertrokken waren, keerden ze weer terug naar hun oude praktijk van Verbondsovertreding. Hierdoor werd duidelijk dat hun Verbondsvernieuwing geen hartszaak was. Een grove belediging van God en een schandelijke daad van onbarmhartigheid aan de dienstknechten. Vandaar dat God Zijn doodstraf in gelijke maat vereffend (Jr 34:17, 20). Maar Hij rekende niet slechts af met de overtreders en spotters, maar ook met de Isra‘Elitische leiders die niet hadden opgetreden (vs 21) en even boosaardig waren. Jirmejahoe’s profetische waarschuwing zou vervuld worden: ook Jehoedah zou door God verbannen worden (vs 22). Maar God liet weten dat Hij in tegenstelling wel trouw zou blijven aan Zijn Verbond met de Isra‘Elim (12 stammen; 33:25-26). Torahgedeelten De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah: • 21:5-6 Het kon zijn dat een dienstknecht hield van zijn meester en van het gezin dat hij tijdens zijn dienstijd had verkregen. In de Bijbel wordt er dus vanuit gegaan dat leven als dienstknecht gunstig kan/hoort te zijn. Dan kon de dienst door een godsdienstige handeling in een permanente staat worden omgezet. Dat vergt veel vroomheid van de eigenaar van de dienstknechten. • H21-23 Allerlei verordeningen (misjpatiem) bij de mitswah van de 10 Woorden (Ex 20:2-17) worden gegeven om te laten zien hoe deze mitswah bedoeld zijn en toegepast moeten worden. • 21:24-25 Een oog voor een oog, tand voor een tand, etc. is het principe van het Verbond van de Sienaj, maar het Nieuwe Verbond gaat uit van barmhartigheid (Ex 23:4-5, 19; Mt 5:38-41; Lc 10:37). Maar ook dat wraak van God verwacht wordt en Hij dat zal nemen (Rm 12:19). • 22:18 Een tovenares (mechasjefah) dient in Bijbelse zin (godsdienstig) gedood te worden (Ex 20:2-3; Gal 5:20-21; Opb 22:15). • *22:21 Een vreemdeling (ger) mag niet verdrukt worden, want Gods volk is evenzo in de wereld (Ex 23:9). • *22:22-24 Elke weduwe en wees mag niet vernederd worden (Jk 1:27), want wie dat doet zal God vertoornen en Hij zal diens vrouw een weduwe maken en diens kind een wees. In gelijke maat wraak nemen. • 22:25 Wie aan een ellendige onder Gods volk geld zal lenen zal geen schuldeiser voor die zijn en rente vragen. • 22:29 Elke eerstgeborene van mens en dier zal aan God gegeven worden (Lc 2:23). • 22:31 Vlees van een verscheurd dier (terefah) zal niet gegeten worden (Hnd 15:20). • *23:6-8 Er moet neutraal (godsdienstig) recht worden gesproken. Het mag niet gebogen worden, bijvoorbeeld door omkoping of gericht tegen de onschuldige en de rechtvaardige. • *23:14-17 Ook sommige dagen van de drie godsdienstige hoogfeesten gelden als een Sjabbatsdag. • 23:25-27 Wie Gods Verbond aanvaardt en Hem overeenkomstig dient, diens voedsel en water wordt door Hem gezegend en ziekte, miskraam, onvruchtbaarheid en voortijdige dood wendt Hij af. Gods afschrikking van de buitenstaanders zal voor de gelovige uitgaan en Hij zal vijanden verwarren en overleveren aan Zijn volk. • 23:31-33 God zal een grens bepalen tussen Zijn volk en de buitenstaanders en Gods volk moet die grens respecteren. • 24:8 Gods verbonden worden met offerbloed gesloten. De met een * aangegeven torot zijn door de rabbijnen vastgesteld als mitswot uit de 613. In H21-24 stellen zij maar liefst 53 mitswot vast, terwijl er in die hoofdstukken hoofdzakelijk misjpatiem (verordeningen; lagere bepalingen dan bevelen (mitswot)) staan. Maar in 22:21-24; 23:6-8, 14-17 staan zeker mitswot. De rabbijnen stellen daarin 7 mitswot vast. Volgende week: Haftarah Teroemah over parallellen met de bouw van Gods heiligdom door Mozes met die door Salomo. Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Haftarah – Hammisjpatiem – De verordeningen

Haftarah Hammisjpatiem gaat over de parallel tussen de Verbondsaanvaarding bij Horeb en de Verbondsvernieuwing ten tijde van Koning Zedekia. Ontrouw van Isra‘Elim door God bestraft God maakte aan Jirmejahoe (Jeremia) bekend dat Zijn Verbond met…




206 01 0182 TopicalBkg Haftarah Bo‘ gaat over de parallel tussen Gods strafgerichten over Egypte ten tijde van Mozes en Gods strafgerichten over Egypte ten tijde van Jeremia. Egypte namens God door Babylonië bestraft God maakte aan Jirmejahoe (Jeremia) bekend dat Hij Mitsrajim (Egypte) zou slaan door Nevoechadré‘tsar (Nebukanezar), de koning van Babylon, en zijn leger (Jr 46:13) als straf voor hun verraad aan Isra‘El. God riep Mitsrajim op om hun leger in paraatheid te brengen en voorbereidingen in het land te treffen voor de aanval. Toch maakte God al vooraf bekend dat het geen zin had, want Hij had Zich tegen hen gekeerd (vs 15). De chaos zou uitbreken in Egypte, want de Farao (Hofra), die Hij oorlogsbraller (sja‘on) noemde, had verkeerd gehandeld. Het prachtige land Egypte zou bezocht worden door een leger uit het noorden (vs 20). Dat leger wordt vergeleken met een snelle slang en hun omvang als een gigantische zwerm sprinkhanen (‘arbéh). God zou afrekenen met Egyptes opperste afgod ‘Amon, hun machtscentrum No‘ en hun Farao (vs 25). Mitsrajim zou verbannen (golah) worden van hun land (vs 19), maar daarna zal het een verblijfplaats zijn zoals vroeger (vs 26). Deze profetie over Egyptes bestraffing is vervuld rond het jaar 570 BCE. Parallellen Sidra‘ Bo‘ (Ex 10:1-13:16) gaat over de laatste drie strafgerichten (sprinkhanen (‘arbéh), duisternis (chosjéch) en de dood van de eerstgeborenen (bechor) van mens en dier) die God over Mitsrajim liet komen. God toonde Zich als allerhoogste. Voorafgaande aan het laatste strafgericht gaf Hij de Isra‘Eliem de opdracht hun naaste-Mitsrajim te beroven (natsal; 12:35). Ook moest elke Isra‘Eliet een offerdier (séh) van schaap of geit nemen en die bij volle maan slachten. Het bloed ervan moest gesmeerd worden aan de deuren van hun huis. Dan zou God herkennen wie het offerdier had geslacht en voorbijgaan (pasach) aan dat huis. De eerstgeborene van mens en dier in dat huis zou dan aan God gewijd zijn. De haftarah bij deze sidra‘ (Jr 46:13-28) laat een parallel zien met de bestraffing van Mitsrajim. (Het gaat hier om dezelfde bestraffing van Mitsrajim door Babylonië die Ezechiël ook had geprofeteerd; zie haftarah Wa‘era‘). Omdat deze bestraffing het gevolg is van Mitsrajims verraad aan Isra‘El, komt de vraag op of dit ook niet opgaat voor de 10 plagen door de hand van Mosjéh. Inderdaad is het zo dat de Farao in de dagen van Josef Isra‘El toestond zich te vestigen bij Mitsrajim. Josef was Mitsrajim immers tot grote zegen en redding geweest. Mitsrajim zal daarna, tijdens Isra‘Els latere verblijf, ook verder gedeeld hebben in Gods zegen over Zijn volk. Toen een latere Farao een gevaar in de welvaart van Isra‘El zag en het ging verdrukken moet dit zeker als verraad aan de beloften van hun eerdere Farao’s worden opgevat. Ook was Farao’s verdrukking onterecht, want Isra‘El had Mitsrajim nooit kwaad gedaan. Opvallend is dat het leger van Nebukadnezer vergeleken wordt met sprinkhanen. In de Bijbel worden verschillende sprinkhanensoorten genoemd, maar in dit geval wordt dezelfde soort (‘arbéh) genoemd als van de achtste plaag. Ook dat versterkt de parallel. Het gebruik van het Hebreeuwse woord golah – verbanning is in de voorgaande haftarot al genoemd in verband met de vergissing van de rabbijnen en anderen om het verblijf in Mitsrajim op te vatten als een ballingschap. Vandaar ook de toevoeging van de verzen 27-28 uit Jeremia 46 die over Gods herstel van Isra‘Els vrome rest uit diens verbanning gaan. Belangrijk is de les (Torah) te zien dat God uiteindelijk de natiën bestraft die schade berokkenen aan Isra‘El. Ook is de parallel tussen de toekomst van Mitsrajim en die van Isra‘El opvallend – na hun verbanning zal het land een verblijfplaats zijn zoals vroeger, zoals dat in de vorige haftarah ook al werd vastgesteld. Torahgedeelten De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah: • *12:2 God maakte de Uittochtsdag tot het begin (Ro‘sh Hasjanah) van de godsdienstige kalender. • *12:8 Het Pésachofferdier zal ceremonieel geslacht worden en het vlees ervan zal op de eerste avond gegeten worden samen met ongezuurde broden (matsot) en bittere kruiden (meroriem). Het vlees mag niet anders dan gebraden gegeten worden. Alles wat van de maaltijd overblijft, moet met vuur verbrandt worden. • 12:12 God heeft afgerekend met alle afgoden van Mitsrajim (inclusief Farao). • 12:14 Het gedenken van de Uittocht is een altoosdurend voorschrift (choeqqat ’olam) voor alle generaties (Ex 13:3). • *12:15 Zeven dagen lang zal daarna matsot gegeten, maar niets wat gezuurd (se‘or) is. Ieder die zuurdesem (chamets) eet zal uit Gods volk worden verwijderd (Ex 13:6-7). • 12:24-27 Het houden van Pésach moet uitgelegd worden aan de kinderen (Ex 13:8, 14-15). • 12:42 De avond van Pésach is een nacht voor God van waken voor alle generaties. • *12:43, 48 Een buitenstaander en een onbesnedene mag niet deelnemen aan de Pésach. Maar de vreemdeling die zich laat besnijden wel. • *13:2, 12 Elke mannelijke eerstgeborene van mens en dier in Isra‘El is aan God gewijd, omdat Isra‘Els eerstgeborenen gespaard waren in het laatste oordeel over Mitsrajim. • *13:13 De eerstgeborene van de ezel (beschouwd als een edel, koninklijk dier) en van mensen zal gelost worden met een losprijs. De met een * aangegeven torot zijn door de rabbijnen vastgesteld als mitswot uit de 613. Volgende week: Haftarah Besjallach over parallellen met de woestijntocht van Isra‘El vanuit Mitsrajim op weg naar de berg Chorev (Horeb). Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Haftarah – Bo‘ – Ga in (tot Farao)

Haftarah Bo‘ gaat over de parallel tussen Gods strafgerichten over Egypte ten tijde van Mozes en Gods strafgerichten over Egypte ten tijde van Jeremia. Egypte namens God door Babylonië bestraft God maakte aan Jirmejahoe (Jeremia)…